Biostoomcentrale Ravenshout


Biostoom Beringen NV beoogt de oprichting van een nieuwe energiecentrale, meer specifiek een biostoomcentrale op basis van afvalstoffen, te Beringen, waar energie wordt opgewekt door de verbranding van 200.000 ton per jaar niet-gevaarlijk en niet-recycleerbare afvalstoffen.

Het betreft huishoudelijk en hiermee gelijkgesteld bedrijfsafval alsook vast niet-risicohoudend ziekenhuisafval. Tevens zal de installatie de mogelijkheid hebben om biomassa, biomassa afval, niet-verontreinigd behandeld houtafval, andere niet-gevaarlijke afvalstoffen en nietgevaarlijk slib in beperkte hoeveelheden mee te verbranden.

Deze energie zal deels nuttig worden aangewend als thermische energie die geleverd wordt in de onmiddellijke omgeving (o.a. industrieterrein Ravenshout) onder de vorm van stoom en/of warm water. Daarnaast zal de beschikbare energie maximaal worden omgezet naar elektriciteit. De installatie zal 24/24u operationeel zijn en dit 7/7dagen.


Presentatie infovergadering 7 mei 2013

Biostoomcentrale Limburg infovergadering.pdf

Bovenstaande presentatie werd getoond op de infovergadering van 7 mei 2013.


MER - Niet technische samenvatting

Nieuwe energiecentrale door Bionerga nv - samenvatting.pdf

Bovenstaand document geeft een niet technische samenvatting van het Milieu Effecten Rapport (MER) inzake de bouw en exploitatie van een nieuwe energiecentrale door Bionerga nv voor de verbranding van 200.000 ton afval per jaar te Beringen.

Kaartenbundel.pdf


Vragen en antwoorden

Vraag 1 : Waarom wordt een afvalverbrandingsoven, een biostoomcentrale genoemd?

Bionerga NV beoogt de oprichting van een nieuwe energiecentrale op basis van afvalstoffen, te Beringen, waar energie wordt opgewekt door de verbranding van 200.000 ton per jaar niet-gevaarlijke en niet-gerecycleerde afvalstoffen. Het betreft huishoudelijk en hiermee gelijkgesteld bedrijfsafval alsook vast, niet-risicohoudend ziekenhuisafval.

Tevens zal de installatie de mogelijkheid hebben om biomassa, biomassa-afval, niet-verontreinigd behandeld houtafval en niet-gevaarlijk slib in beperkte hoeveelheden mee te verbranden. Afhankelijk van het type verwerkte afvalstof produceert de energiecentrale van 47,78% tot 100% groene energie, vandaar ‘bio’ in biostoomcentrale.

De opgewekte energie zal deels nuttig worden aangewend als thermische energie die geleverd wordt in de onmiddellijke omgeving (o.a. industrieterrein Ravenshout) onder de vorm van stoom en/of warm water. Dit verklaart het woord ‘stoom’ in biostoomcentrale. Tot slot zal de resterende beschikbare energie maximaal worden omgezet naar elektriciteit en fungeert de installatie als een efficiënte elektriciteits-‘centrale’.

Door deze optimale benutting van inputstromen, de efficiënte omzetting ervan naar groene energie en het grote aandeel van stoomlevering verschilt de nieuwe energiecentrale essentieel van een standaard verbrandingsoven en werd daarom gedoopt tot “biostoomcentrale”.

Vraag 2 : Wat wordt er gedaan met de giftige gassen? Op welke stoffen wordt de uitstoot gecontroleerd?

De rookgassen zullen diverse zuiveringsstappen ondergaan vooraleer ze worden uitgestoten in de atmosfeer. Er wordt een doorgedreven rookgasreiniging voorzien, waardoor de emissies van de nieuwe energiecentrale en haar invloed op de omgeving zeer beperkt zijn.

De rookgasreiniging is van het ‘droge’ type en bestaat uit de volgende elementen:

  • een elektrofilter om de vliegassen af te scheiden,
  • toevoeging van kalk met als doel de zure componenten (voornamelijk chloor en zwavel) te binden,
  • toevoeging van bruinkool met als doel het vangen van zware metalen en dioxines,
  • een zakkenfilter om de toegevoegde kalk en bruinkool samen met de zure componenten, zware metalen en dioxines uit de rookgassen te filteren, en
  • de verwijdering van stikstofoxides (selectief katalytische DeNOx-installatie).

De gezuiverde rookgassen worden finaal via een 62 m hoge schoorsteen in de atmosfeer gebracht. In deze schoorsteen worden meetinstrumenten geplaatst om permanent de kwaliteit van de gereinigde rookgassen te meten en te toetsen aan de wettelijke emissienormen. Het betreft in het bijzonder de concentraties aan stof, waterstofchloride, zwaveldioxide, koolstofmonoxide en stikstofoxiden. De meetresultaten zullen in het kader van de openheid van communicatie ter beschikking worden gesteld via de website van het bedrijf.

Vraag 3 : Hoe wordt de ideale hoogte van de schouw berekend?

De schouwhoogte van de nieuwe installatie (62 m) is nodig en voldoende voor een goede verdeling van de rookgassen en de minimalisatie van de impact. Deze schouwhoogte is (technisch) haalbaar. Bij lagere schouwhoogte stijgt de immissiebijdrage(s) van alle componenten, wat Bionerga wilt vermijden. Bij nog hogere schouwhoogte (> 62 m) wordt het positieve effect op de immissiebijdrage verwaarloosbaar. Een schouwhoogte van 62 m staat voor een goed evenwicht t.o.v. de gestelde eisen en ligt in lijn met de schouwhoogte van soortgelijke (afval)verbrandingsinstallaties.

Vraag 4 : Hoe wordt er rekening gehouden met de reeds aanwezige milieu- en gezondheidsbelasting?

In functie van het bekomen van de nodige vergunningen werd er een project-MER (milieueffectrapport) opgemaakt. Pas na definitieve goedkeuring van dit MER konden de nodige vergunningen aangevraagd worden. Het MER, met puur een beschrijving van de verwachtte effecten van het project op zijn omgeving, beslist niet of een project een vergunning krijgt; dit wordt beslist door de vergunningverlener die hierbij rekening houdt met het milieueffectrapport en de beschreven effecten op de omgeving.

Het MER van Bionerga is een project-MER waarin inderdaad grotendeels aandacht is voor één enkel (nieuw) project, zijnde de bouw van een nieuwe biostoomcentrale. Dit is (voor alle disciplines) de voorgeschreven aanpak voor de vestiging van een nieuw bedrijf op een bepaalde locatie (hier, in bestaand industriegebied) op basis van Europese en Vlaamse wetgeving en richtlijnen van de Dienst MER. Bij de ontwikkeling van een nieuwe bedrijvenzone bvb. in het kader van de opmaak van een Ruitmtelijk Uitvoerings Plan (RUP), wordt een plan-MER gemaakt waarbij simulaties kunnen uitgevoerd worden in de veronderstelling dat meerdere (nieuwe) bedrijven zich vestigen.

Desalniettemin werd er voor het opstellen van het MER van de biostoomcentrale (onder andere voor de disciplines Water, Lucht / Geur, Bodem, Geluid en Mobiliteit) wel degelijk rekening gehouden met de huidige achtergrondconcentraties. Zo werd er bijvoorbeeld voor de discipline Lucht / Geur rekening gehouden met de (meet)gegevens die beschikbaar zijn bij officiële instellingen zoals VMM en databanken zoals CAR-Vlaanderen. Bij de beoordeling van de effecten van de biostoomcentrale is er zelfs voor de meest kritische parameter waaraan Bionerga een relevante bijdrage levert en waarvoor er een milderende maatregel (100 mg/Nm³ i.p.v. 150 mg/Nm³) opgelegd werd, nl. NOx, rekening gehouden met een toekomstige evolutie, d.i. de mogelijke komst van Eneco naar Ravenshout. Ondertussen is duidelijk geworden dat het project van Eneco in Ravenshout niet zal doorgaan.

Bovendien is er in 2014 door VITO in opdracht van de stad Beringen een studie uitgevoerd “De luchtkwaliteit in Beringen”. Op basis van deze studie komt het Agentschap Zorg en Gezondheid tot het volgende besluit: “De concentratiekaarten werden opgemaakt voor de huidige situatie en voor de situatie met Bionerga; de concentratiekaarten voor de situaties met en zonder Bionerga verschillen weinig.”

Vraag 5 : In welke percentages zal het afval vervoerd worden met vrachtwagen, spoorweg, scheepvaart?

Aangezien het projectgebied in de onmiddellijke nabijheid van het Albertkanaal gelegen en er een publieke laad- en loskade aanwezig is, kan het vervoer van bulk en grote volumes via binnenvaart een extra troef bieden. Het Albertkanaal laat schepen toe van 1.500 tot 3.200 ton (klasse V), wat de mogelijkheid biedt om de bodemassen en het schroot met een 30-tal schepen af te voeren.

Om transport over de weg te vervangen door transport over het water, dienen een aantal aandachtspunten in acht te worden genomen zoals intern transport, de overslaglocatie en de bestemming van de bodemassen en schroot.

Het aanvoeren van huisvuil via binnenvaart lijkt niet realistisch vermits huisvuil nog steeds deur aan deur dient opgehaald te worden via traditionele vrachtwagens. Teneinde grote volumes te bekomen om alzo een binnenschip te kunnen vullen, dient het afval allereerst gebundeld en opgeslagen te worden. Dit gaat gepaard met hoge overslagkosten en een relatief beperkt te overbruggen afstand tot de biostoomcentrale. Transport van vuilnis via binnenvaart is enkel efficiënt en kosteneffectief indien het afval aangevoerd wordt vanaf grote afstand. Dit is niet het geval bij de biostoomcentrale te Beringen, daar deze enkel lokaal afval zal verwerken.

Wat het transport via het spoor betreft kan er gesteld worden dat een spoorontsluiting van de site niet realistisch is op korte termijn. Vanaf het station van Tessenderlo loopt er thans een spoorlijn richting industriezone Ravenshout, doch de overwegen langs deze spoorlijn zijn echter niet beveiligd waardoor het treinverkeer dit traject (± 4 km) stapvoets en begeleid dient af te leggen. Voor het laatste deel van het traject is eveneens een nieuwe spoorlijn nodig vermits het spoor ter hoogte van de insteekhaven reeds enige tijd geleden is opgebroken.

Vraag 6 : Vanwaar komt al het afval voor de nieuwe verbrandingsoven in Beringen, is dit enkel van Limburg?

Als men de huidige geografische spreiding van de verbrandingscapaciteit in Vlaanderen beschouwt, dan is er een duidelijke ondervertegenwoordiging inzake capaciteit in het oosten van Vlaanderen. De provincie Limburg beschikt momenteel niet over voldoende eigen thermische eindverwerkingscapaciteit. De huidige (vergunde) capaciteit van de afvalverbrandingsinstallatie van Bionerga (Houthalen-Helchteren) bedraagt slechts 100.000 ton per jaar, terwijl Limburg jaarlijks circa 300.000 ton brandbaar en niet-recycleerbaar afval produceert (huishoudelijk en bedrijfsafval).

De geplande installatie beoogt het verwerken van afvalstromen vanuit de regionale omgeving (m.a.w. vanuit het nabijheidsprincipe) die overeenstemt met het verzorgingsgebied van Limburg.net.

Vraag 7 : Hoe zal het afvalwater worden afgevoerd en met welke temperatuur?

In feite is Bionerga, net zoals dat het momenteel in Houthalen-Helchteren is, nullozer. Voor de biostoomcentrale zelf is slechts een zeer beperkte hoeveelheid deminwater nodig waarvan de reststroom door de biostoomcentrale zelf als proceswater verbruikt zal worden. Dit wil zeggen dat er in se vanuit Bionerga geen lozingen van bedrijfsafvalwater zijn die de kwaliteit van het oppervlaktewater beïnvloeden. Daar er ook deminwater geproduceerd zal worden voor naburige bedrijven zal het aandeel afvalwater proportioneel stijgen. Ook hier zal de reststroom die ontstaat bij de productie van deminwater allereerst aangewend worden als bron van proceswater. Het overige deel wordt rechtstreeks op oppervlaktewater, nl. op de Winterbeek, geloosd en dit aan een temperatuur van 30°C of lager.

Er dient echter opgemerkt te worden dat de naburige bedrijven, waaraan Bionerga deminwater zal leveren, hun huidige deminwaterproductie kunnen verminderen waardoor de totale impact van lozing op de Winterbeek ongewijzigd zal blijven.

Vraag 8 : Wat gebeurt er met de oven in Houthalen? Waarom sluit Bionerga in Houthalen?

In 2010 werd door Bionerga een hervergunning van de bestaande installatie in Houthalen-Helchteren bekomen. De bestaande installatie zal operationeel blijven totdat de nieuwe biostoomcentrale volledig in gebruik genomen is, waarna de bestaande installatie in Houthalen-Helchteren stilgelegd zal worden.

De nieuwe biostoomcentrale in Ravenshout zal, mede dankzij de koppeling met Borealis, de energie welke aanwezig is in het afval, dubbel zo efficiënt nuttig beschikbaar kunnen maken. Met andere woorden, er kan 2 maal zoveel energie bespaard worden door het afval te verwerken in de biostoomcentrale in Ravenshout dan door het afval te verwerken in de bestaande installatie in Houthalen.

Vraag 9 : Is er nood aan bijkomende verbrandingscapaciteit, Vlaanderen kampt toch met een overcapaciteit?

De veronderstelling dat Vlaanderen kampt met een overcapaciteit inzake afvalverbranding is niet correct. Bionerga heeft zowel tijdens de MER-fase alsook tijdens de vergunningsfase een onderbouwing van de huidige verbrandingscapaciteit in Vlaanderen aan de Openbare Vlaamse Afvalstoffen Maatschappij (OVAM) bezorgt. Op basis van deze onderbouwing in combinatie met zijn kennis inzake het Vlaamse afvallandschap heeft het OVAM, dat instaat voor een kwaliteitsvol en efficiënt afval-, materialen- en bodembeheer in Vlaanderen, zijn (positieve) adviezen geformuleerd.

Als men de huidige geografische spreiding van de verbrandingscapaciteit in Vlaanderen beschouwt, dan is er trouwens een duidelijke ondervertegenwoordiging inzake capaciteit in het oosten van Vlaanderen. Zo beschikt de provincie Limburg in concreto niet over voldoende eigen thermische eindverwerkingscapaciteit. De huidige (vergunde) capaciteit van de afvalverbrandingsinstallatie van Bionerga in Houthalen-Helchteren bedraagt 100.000 ton per jaar terwijl er in het verzorgingsgebied van Limburg.net jaarlijks circa 300.000 ton beschikbaar is.

Tevens is het zo dat het voornaamste deel van de huidige afvalverbrandingscapaciteit in Vlaanderen circa 30 jaar, en zelfs ouder, is. Op het gebied van milieubelasting zijn deze gelijkwaardig aan de biostoomcentrale, maar hinken achter inzake energetische benutting. De biostoomcentrale in Ravenshout zal, mede dankzij de koppeling met Borealis, de energie welke aanwezig is in het afval, dubbel zo efficiënt nuttig beschikbaar kunnen maken in vergelijking met de bestaande installatie in Houthalen. Met andere woorden, er zal twee maal zoveel energie bespaard worden door het afval te verwerken in de biostoomcentrale in Ravenshout in plaats van in de huidige installatie.

Vraag 10 : Worden de werknemers van Bionerga blootgesteld aan gezondheidsrisico's?

In het kader van eerdere insinuaties inzake abnormale bloedwaarden bij medewerkers van Bionerga nam Bionerga onmiddellijk contact op met de dienst “Toezicht Welzijn op het Werk” (de arbeidsinspectie) om hen te vragen om samen met de bedrijfsarts van Bionerga de resultaten van de bloedanalyses van de afgelopen jaren in te kijken. Toezicht Welzijn op het Werk bevestigde de conclusie van de bedrijfsarts : Er worden geen abnormale bloedwaarden met betrekking tot zware metalen vastgesteld bij de medewerkers van Bionerga in Houthalen.

Binnen de werking van het Comité ter Preventie en Bescherming op het Werk (CPBW) wordt de gezondheid van de werknemers meermaals besproken en nauwgezet opgevolgd. Het comité is ervan overtuigd dat ze tot op heden haar taken steeds correct heeft vervuld en zal dit in de toekomst blijven doen.


Bezoek ook de website van Bionerga

Bezoek ook de website van Biostoom Oostende